De
programmawet van 20 juli
2006 breidt de aansprakelijkheid
uit van zaakvoerders van
een vennootschap of een
grote vzw.
Twee nieuwe artikelen werden
aan het wettelijke arsenaal
toegevoegd: artikel 442quater
WIB en 93undecies C WBTW.
De nieuwe wettelijke bepalingen
waren het onderwerp van
een administratieve omzendbrief
(circulaire nr AAF/2006-0604)
gedateerd van 24 augustus
2006. Hierin geeft de auteur
zelf aan te volstaan met
het herhalen van de motieven
die de overheid al eerder
had gegeven voor het invoeren
van de nieuwe regels.
Het principe
Volgens deze nieuwe bepaling
kunnen bestuurders en zaakvoerders
die verantwoordelijk zijn
voor het dagelijks bestuur
van een vennootschap of
vzw voortaan hoofdelijk
aansprakelijk worden gesteld
voor niet-betaling van de
verschuldigde btw of bedrijfsvoorheffing.
Dit is het geval wanneer
het verzuim te wijten is
aan een fout die de bestuurder
of zaakvoerder heeft gemaakt
bij het bestuur van de vennootschap
of vzw in de zin van artikel
1382 van het Burgerlijk
Wetboek. Deze hoofdelijke
aansprakelijkheid kan uitgebreid
worden naar de andere bestuurders
of zaakvoerders van de vennootschap
of vzw.
Een bestuurder of zaakvoerder
is hier elke persoon die
in feite of in rechte, de
bevoegdheid heeft of heeft
gehad om de vennootschap
of vzw te besturen met uitsluiting
van de gerechtelijke mandatarissen.
De fout aantonen
‘Een fout bij het
bestuur van de vennootschap’
is op te vatten als een
aquiliaanse fout.
In de volgende scenario’s
is er sprake van zo’n
fout:
- het voortzetten van een
verlieslatende activiteit
ten koste van de belangen
van de schuldeisers;
- fraude op grote schaal
bestaande uit het verdoezelen
van ontvangsten met de bedoeling
de btw te ontwijken;
- het niet-betalen van de
fiscale of sociale lasten
als bewust gekozen financieringsmiddel
voor de bedrijfsleiders;
- ontstentenis van de aangifte
tot faillietverklaring binnen
de maand na de staking van
de betalingen en het wankelen
van het krediet
- het voortzetten van een
verlieslatende activiteit
terwijl dit onredelijk is.
Het onweerlegbaar vermoeden
van fout
De herhaalde niet-betaling
van bedrijfsvoorheffing
of btw is een vermoeden
van fout.
Er is sprake van een herhaalde
niet-betaling wanneer:
- binnen een periode van
één jaar ofwel
tweemaal niet betaald werd
door een kwartaalaangever,
- binnen een periode van
een jaar driemaal niet betaald
werd door een maandaangever.
Er is geen vermoeden van
fout wanneer de niet-betaling
een gevolg is van financiële
moeilijkheden die aanleiding
waren tot het openen van
een procedure van gerechtelijk
akkoord, faillissement of
gerechtelijke ontbinding.
Verplichting tot waarschuwing
voorafgaand aan de gerechtelijke
procedure
Het is altijd aan de rechter
om te oordelen of de zaakvoerder
of bestuurder een fout heeft
gemaakt en veroordeeld moet
worden. Bovendien kan er
pas een vordering tegen
hem worden ingesteld na
een maand, te rekenen vanaf
de datum van de aangetekende
kennisgeving die de ontvanger
naar de bestuurder(s) stuurt
met het verzoek om de nodige
maatregelen te nemen om
het verzuim goed te maken
of het bewijs te leveren
dat het verzuim niet te
wijten is aan een door hem
begane fout.
De bedoeling van deze verwittiging
en wachttijd is om de zaakvoerder
of bestuurder in kwestie
en de bevoegde ontvanger
de gelegenheid te geven
overleg te plegen en samen
bijvoorbeeld een plan voor
een gespreide afbetaling
op te stellen.
Let wel, de fiscus heeft
nog altijd de mogelijkheid
om binnen deze wachtperiode
van een maand bewarend beslag
te leggen op zowel de privébezittingen
van de zaakvoerder of bestuurder
als op de bezittingen van
de vennootschap.
|